Diefstal bij daglicht
Een reisverslag vanuit Nairobi, Kenya, december 1994
Hotel InterContinental staat aan Parliament Square, tegenover, hoe kan het anders, het Keniaanse parlementsgebouw.
Nairobi is een grote stad met heel veel volk. Gemeentelijk openbaar vervoer is onbestaande en als er al vervoer is, zijn dat van die gammele oude Volkswagen-busjes, met een chauffeur, twintig zwetende passagiers en natuurlijk het hulpje van de chauffeur. Die hangt altijd rechts buitenboord; dat is degene die moet opletten dat er niet een slimmerik is die denkt gratis mee te kunnen rijden, want die hangt dan weer links buitenboord. Verder is dat een druk baasje, want hij moet geld innen en hij bepaalt ook wie wel en niet mee mag. Ook moet hij goed opletten dat hij op tijd op zijn busje springt, want zijn baas kijkt daar niet naar. Dat kan ook niet, want buitenspiegels ontbreken. Comfortabel is het niet met z'n twintigen in dat busje. Airco is er ook niet, maar dat is geen probleem, want die busjes hebben sowieso geen ramen meer, alleen een voorruit en die is dan weer van plexiglas.
Uit bovenstaande kun je opmaken dat er in Nairobi heel veel gelopen wordt: van huis naar het werk, naar de markt of zomaar. Om half negen zat ik in de hotellobby te wachten op mijn chauffeur. Kijk je naar buiten, dan is daar heel veel volk dat kriskras door elkaar loopt. So far, so good.
Maar opeens was er buiten iets gaande waardoor al dat volk plotseling dezelfde kant op liep. Tevens was al het hotelpersoneel dat dienst had aan de ingang ineens foetsie. Alleen de kassier en een receptioniste waren gewoon op hun post gebleven; zij hadden de strikte opdracht om, wat er ook gebeurt, nooit weg te lopen op straffe van...
Na een kwartier was buiten alles weer redelijk normaal. Een van de jongens van de ingang, in zijn mooie hotel-outfit, kwam zwaar zwetend weer terug in de lobby. Nieuwsgierig geworden door al dat tumult vroeg ik hem wat er nou eigenlijk aan de hand was.
Een zakkenroller had iets gestolen van een medeburger, hij was gesnapt en had het op een lopen gezet, met half Nairobi erachteraan. “Ja en? Hebben ze hem te pakken gekregen?” “Nee, helaas niet.” Zijn lichaamstaal sprak boekdelen. De dief kon veel harder lopen dan de achtervolgende meute, er was ook niemand die de dief pootje kon lichten, dus dit werd niks.
Toen vroeg ik hem: “Wat als de meute hem wel had ingehaald?” Met grote vanzelfsprekendheid zei hij: “Dan hadden ze hem doodgeslagen en, indien er iemand een jerrycan benzine bij had, direct in brand gestoken. Iedereen, vrouwen en kinderen incluis, staat erbij en kijkt ernaar.” Hij voegde eraan toe dat dat heel normaal is. Het verbrande lijk laat de politie een paar dagen liggen, alles en iedereen loopt of rijdt er netjes omheen, en daarna komt er wel eens een vuilniswagen om de restanten op te scheppen en af te voeren. De lokale kranten maken daar ook uitgebreid melding van, met foto's en liefst op de voorpagina, want dat verkoopt goed.
Ik vroeg hem hoeveel keer per jaar dat in Nairobi zoal gebeurde. Hij ontbloot zijn hagelwitte tanden en zei vol trots: “Meer dan honderd keer.”




Prachtig...
BeantwoordenVerwijderen