Weggegooid geld
Een reisverslag uit Libreville, Gabon, daterend 1993
Nederland had en heeft geen ambassade in Gabon, maar wel in Cotonou, Benin. Van daaruit is deze ambassade ook verantwoordelijk voor Gabon, Kameroen, Equatoriaal-Guinea en de Centraal-Afrikaanse Republiek. De ambassadeur maakt daarom, indien nodig, ieder jaar een rondje langs deze landen. Omdat hij en ik in hetzelfde hotel verbleven, kreeg ik derhalve ook een uitnodiging om met de Nederlandse gemeenschap van Gabon ’s avonds wat te eten en een glaasje te nuttigen.
Hij had het aangename met het nuttige verenigd en zijn echtgenote was ook meegereisd. Het bleek dat zij samen al heel wat jaren in Afrika hadden doorgebracht. Dat was ook wel te zien, want zij droeg van die lederen Oude-Testamentsandalen. Daarboven een wijde soepjurk van onbestendige oorsprong. Door het vele wassen hadden de kleuren hun beste tijd gehad. Deze jurk had wel één groot voordeel: aan ventilatie geen gebrek. Je kon die jurk ook achterstevoren dragen en niemand die dat in de gaten had. Haar grijze haar had ze in een knotje. Gemak dient de mens, en met de vochtigheid en de temperaturen in de tropen is dat wel te begrijpen.
Beiden waren bijzonder aardig, maar ook duidelijk van linkse signatuur.
De ambassadeur vertelde dat hij al vele jaren in Afrika werkzaam was en vóór Benin een aantal jaren op de ambassade in Tanzania had gewerkt. Dit Oost-Afrikaanse land had een speciale band met Nederland opgebouwd, omdat Julius Nyerere de eerste “democratisch” gekozen president (1964–1985) van het land was en hij als socialist werd gezien in Den Haag. Hij had daarom in politiek Nederland veel krediet. Ook prins Bernhard kwam veel in Tanzania om olifanten en ander loslopend wild af te schieten. Later heeft Bernhard zich bekeerd tot het Wereld Natuur Fonds.
Zo werd Tanzania voor de Nederlandse regering een speerpunt in de ontwikkelingssamenwerking. Dat betekende meer geld, lagere invoerrechten en andere gunstige regelingen. De ambassadeur vertelde mij dat Nederland in tien jaar tijd in totaal fl. 1.100.000.000 (1,1 miljard gulden) aan ontwikkelingshulp had overgemaakt naar Tanzania. Voor die tijd al een enorme som geld.
Zij moesten in Tanzania vooral zelf beslissen wat er met dat geld moest worden gedaan. Alles wat ook maar rook naar eventuele koloniale bemoeienis was “not done”. De verwondering was blijkbaar van mijn gezicht af te lezen. Toen zei hij ineens, ongevraagd: “Als u mij nu vraagt waar al dat geld is gebleven, dan zou ik het u niet kunnen zeggen.”
Als ambassadeur zag hij natuurlijk ook wel dat er van alles fout ging met dat geld. Zijn ambassadepersoneel rapporteerde en adviseerde dat ook aan Buitenlandse Zaken in Den Haag. Dat er veel moest veranderen, was overduidelijk. Tevergeefs: die rapporten gingen van BZ naar de minister van Ontwikkelingssamenwerking, socialist Jan Pronk (1988–1998). De rapporten verdwenen in de onderste la; hij wilde er niets over horen.
Jantje Pronk, deze te veel drinkende salonsocialist, vloog met de KLM eerste klas de wereld over en maakte overal goede sier. Veranderde er iets?
Nee, want: Hij dronk een glas, hij deed een plas, en alles bleef zoals het was.
Reacties
Een reactie posten