Arbeidersparadijs
Een reisverslag uit Brno, Tsjecho-Slowakije, daterend 1984
In dit jaar maakte ik mijn eerste reis naar het Oostblok. De Koude Oorlog
(1945-1991) werd daar nog alom gepraktiseerd. Na de Praagse Lente (januari tot
augustus 1968) was alles weer terug bij af. 50.000 Sovjetmilitairen bleven nog
vele jaren in Tsjecho-Slowakije gelegerd. Dus meer dan 15 jaar na de inval van
de Sovjet-Unie was er weinig veranderd; buitenlanders en buitenlandse bedrijven
waren alleen maar goed voor de vreemde valuta en zij waren de collectieve
vijand.
Midden jaren
tachtig ging ik ieder jaar naar de grote Landbouwbeurs in Brno. Vliegen naar
Wenen, auto huren en via Bratislava naar Brno. De grensovergang van Wenen naar
Bratislava was voor mij de eerste keer heel bijzonder. Alle westerse bezoekers
werden dan ook met de grootste argwaan bekeken en gecontroleerd. De
grensovergang was een schier onneembare vesting. Heel veel douanepersoneel en
militairen. Nog veel meer prikkeldraad, om de paar honderd meter wachttorens en
voor in de nacht heel veel verlichting. Vanuit de ruimte moet het IJzeren
Gordijn goed te zien zijn geweest. Er was ook een niemandsland van ongeveer een
kilometer dat volgens de borden vol lag met landmijnen. Welkom in het
socialistische arbeidersparadijs.
Hotels waren er bijna niet in Brno en de weinige hotelkamers die er waren, werden ingenomen door partijbonzen. Buitenlandse bezoekers sliepen bij mensen thuis en die waren weer door de partij geselecteerd. Betaald werd er met Duitse marken.
Bezoekers waren
veelal arbeiders die in de bosbouw of bij staatsbedrijven werkten. Voor
iedereen was dat een dagje uit en vooral in het weekend kwamen duizenden
dagjesmensen zich vergapen aan de vele westerse producten en machines. Voor de
stand van Skoda stonden mensen uren in de rij om langs de nieuwe Skoda te mogen
lopen. Dromen van die Skoda ging wel, maar kopen ho maar.
Zoals heel veel
in het Oostblok was alles van een collectieve troosteloosheid. Oude trams,
gammele bussen, pruttelende en rokende tweetakt-Trabants. Vuile en slecht
onderhouden gebouwen. Verwarming was met steen- of bruinkool. In deze centraal
geleide economie ging alles heel langzaam. In gesprekken met onze klanten bleek
administratie- en bureaucratierompslomp de vooruitgang in de weg te staan.
Motivatie ontbrak om ook maar iets te proberen of te verbeteren. Iedereen deed
wat hem van bovenaf was opgedragen.
In de binnenstad
zag je in etalages alleen gele en blauwe overhemden. Waarschijnlijk had iemand
iets verkeerd ingevuld. In restaurants was er wel een menukaart, maar dat was
onzin. Bezoekers aten wat er was, omdat wat op de kaart stond er sowieso zeker
niet was.
Mijn
kamerverhuurder kende iemand die werkte in een staatscafé. Om 19.00 uur ging de
kroeg dicht. Ik vond dat raar, want het zat redelijk vol. Wij bleven wat
langer, maar de rest werd buitengezet. De kroegbazin moest iedere avond de
inventaris opmaken. Dus alle flessen drank werden een voor een overgegoten in
een glazen maatbeker en op voorgedrukte lijsten werd de inhoud genoteerd.
Daarna ging alles weer terug in dezelfde fles. In alle staatskroegen in Brno
zag je hetzelfde beeld. Die lijsten werden dan de volgende dag allemaal
opgehaald en ergens met de hand weer centraal verwerkt. Om 8.00 uur zat haar
werkdag erop. Voor iedereen in dit arbeidersparadijs was het motto:
De staat doet alsof ie mij betaalt en ik doe alsof ik werk.

Reacties
Een reactie posten